Met ingang van 2011 geldt de werkkostenregeling: een nieuwe manier van fiscaal omgaan met vergoedingen en verstrekkingen aan personeel. Gedurende drie jaar (2011, 2012, 2013) geldt een overgangsregeling en mag u kiezen of u het huidige stelsel gebruikt of overgaat op de werkkostenregeling. Door de grote verschillen kan de werkkostenregeling flink duurder of juist goedkoper uitpakken. Breng daarom nú uw situatie in kaart.
De nieuwe regeling gaat in per 1 januari 2011, maar gedurende drie jaar geldt een overgangsregeling en mag u jaarlijks kiezen of u het huidige systeem volgt of overgaat op de werkkostenregeling. U krijgt deze mogelijkheid omdat het hanteren van de werkkostenregeling aanzienlijk duurder voor u kan uitpakken dan u nu gewend bent. Daarom is het belangrijk nu alvast te beginnen met een inventarisatie.
Door de werkkostenregeling verdwijnen veel gedetailleerde regels voor verschillende vergoedingen en verstrekkingen, zoals de voorwaarden voor de fiets van de zaak. Daar staat tegenover dat u al uw vergoedingen en verstrekkingen aan uw werknemers in kaart moet brengen om te beoordelen wat wel en wat niet onder de vrije ruimte valt.
Lees meer over de werkkostenregeling.
Sinds 1 januari 2010 heeft de overheid een nieuwe oplossing voor een ontslagvergoeding: het banksparen. De overheid wil zo een extra keuzemogelijkheid en meer concurrentie bieden voor ontslagvergoedingen.
Naast bestaande opties zoals direct uitbetalen, een lijfrente afsluiten of een stamrecht-BV oprichten, heeft u per 1 januari 2010 ook de mogelijkheid om uw ontslagvergoeding op een bankspaarrekening te zetten.
Mocht u gebruik willen maken van deze variant dan kunt u ervoor kiezen om de ontslagvergoeding te stallen op een geblokkeerde bankspaar- of beleggingsrekening. Op deze manier stelt u de heffing van inkomstenbelasting uit. Bij een geblokkeerde bankspaarrekening profiteert u van de rente. Bij een geblokkeerde beleggingsrekening kunt u een nog groter rendement behalen maar is de hoogte van de uiteindelijke uitkering iets minder zeker dan bij een spaartegoed het geval is.
De overheid verwacht dat bij een lage ontslagvergoeding de bankspaaroptie een aantrekkelijke keuze is. Banksparen is eenvoudig en brengt geringe kosten met zich mee.
De keuze welke optie voor u het meest aantrekkelijk is, is afhankelijk van uw persoonlijke situatie, doelen en wensen. Wij raden u dan ook aan contact met ons op te nemen om te beoordelen welke optie het beste bij u past.
Minister De Jager van Financiën heeft een wetsvoorstel ingediend om de Nederlandse btw-wetgeving met ingang van 1 januari 2011 aan te passen aan een btw-richtlijn van de Europese Unie. Hierdoor zal er een wijziging optreden van de btw-heffing over het privégebruik van onroerende zaken die tot het bedrijfsvermogen behoren.
Per 1 januari 2011 vindt een wijziging plaats met betrekking tot de systematiek van btw-heffing over het privégebruik van onroerende zaken. Nu is het nog zo dat u de voorbelasting op onroerende zaken, die u zowel zakelijk als privé gebruikt, in principe volledig en onmiddellijk in aftrek kan brengen. Het privégebruik wordt vervolgens gedurende tien jaar jaarlijks belast.
Straks geldt een verplichte beperking van de btw-aftrek voor het privégebruik. Daar staat dan wel tegenover dat er ook geen btw-heffing meer plaatsvindt over het privégebruik. Eventuele wijzigingen in het zakelijk- en privégebruik van de onroerende zaak worden gedurende tien jaar gecorrigeerd. Om de nieuwe systematiek te verduidelijken volgt hieronder een voorbeeld.
Stel dat de verschuldigde btw voor de aanschaf van uw woon-werkpand, dat geheel tot het bedrijfsvermogen gaat behoren, € 40.000 bedraagt. U gebruikt het pand voor 90% voor bedrijfsdoeleinden, waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat, en voor 10% voor privédoeleinden. Onder de nieuwe regeling kunt u € 36.000 (90% van € 40.000) onmiddellijk op uw btw-aangifte in aftrek brengen. Het privégebruik ter grootte van 10% (€ 4.000) wordt uitgesloten van btw-aftrek.
Als het privégebruik vervolgens wijzigt, wordt de in aftrek gebrachte btw gecorrigeerd. Stel dat het privégebruik in het tweede jaar wordt uitgebreid van 10% naar 20%: De vooraftrek die aan dat jaar kan worden toegerekend, moet dan worden herzien. Dit betekent dat 10% van de vooraftrek die aan het tweede jaar is toegerekend, moet worden herzien. Dat is: 10% van € 4.000 (€ 40.000/10 jaar). De herziening over het tweede jaar bedraagt daarom € 400.
Er treedt overigens geen wijziging op inzake de regels van de btw-aftrek voor roerende zaken. De Europese btw-richtlijn bevat voor de roerende zaken een optionele bepaling en geen verplichting. Nederland wijzigt daarom per 2011 alleen de aftrekbepalingen voor onroerende zaken.
Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, zal de systematiek van de btw-heffing over het privégebruik van onroerende zaken wijzigen per 1 januari 2011. Wij adviseren u contact met ons op te nemen om te bepalen wat de gevolgen van deze wijziging voor u kunnen zijn.
Op 1 juli 2010 is het subsidieprogramma mobiliteitsvouchers gestart. Het programma richt zich op het mobiliteitsbeleid van het mkb. Met de vouchers kunnen bedrijven advies krijgen over mobiliteitsvraagstukken en verbeteringen doorvoeren op dit terrein.
Om bewustzijn te creëren bij het mkb over de mogelijkheden van mobiliteitsmanagement, geeft de overheid grote en kleine mobiliteitsvouchers uit. U kunt denken aan advies over vermindering van uw uitgaven voor mobiliteit, productiviteitsstijging, minder parkeerproblematiek rond uw bedrijf, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verbetering van de werk- en privébalans van uw medewerkers.
De vouchers fungeren als tegoedmiddelen. Met de kleine voucher kunt u een mobiliteitsscan laten uitvoeren door een deskundige. Deze voucher heeft een waarde van € 1.500. Met de grote voucher kunt u, nadat de mobiliteitsscan is afgerond, advies krijgen van een adviseur voor het invoeren van de maatregelen. De waarde van deze voucher bedraagt maximaal twee derde van de advieskosten exclusief btw, tot een maximum van € 4.500.
Een beroep op de vouchers is alleen mogelijk indien u minimaal 25 en maximaal 250 werknemers in dienst heeft. U kunt eenmalig een kleine en een grote mobiliteitsvoucher aanvragen. Het subsidieplafond voor de uitgifte van beide vouchers is € 3.000.000 voor de gehele looptijd.
U heeft nog tot en met 30 juni 2011 de tijd om de vouchers aan te vragen. Voor een aanvraag kunt u gebruik maken van een aanvraagformulier via deze link: Aanvraagformulier mobiliteitsvouchers
Het ministerie van Economische Zaken is gestart met een proef van twee initiatieven voor financieringsfondsen om het eigen vermogen van het mkb te vergroten. De proef moet uitwijzen of het nodig is dat de Staat garant staat bij nieuwe vormen van kredietverschaffing aan het mkb.
Tijdens de huidige economische crisis, is het voor het mkb steeds moeilijker om financiering van de bank te krijgen voor bijvoorbeeld investeringen en uitbreidingen. Minister Van der Hoeven verstrekt als proef € 500.000 subsidie aan twee private financieringsfondsen (in oprichting). Het is de bedoeling dat de fondsen buiten de banken om leningen gaan verschaffen aan bedrijven. Verder bestaat de verwachting dat het mkb een groter buffervermogen krijgt (door bijvoorbeeld het plaatsen van achtergestelde leningen), waardoor de kredietwaardigheid van deze ondernemingen wordt vergroot. Hierdoor zullen banken hopelijk wel bereid zijn om kredieten te verlenen.
Het gaat ten eerste om het Fonds voor Midden- en Kleinbedrijf, dat achtergestelde leningen vanaf € 100.000 aan bedrijven gaat geven. Het tweede fonds is Kapitaal Plaza, dat een brug wil slaan tussen particuliere en professionele beleggers en kleinere bedrijven met financieringsbehoefte. Dit fonds zal ook verantwoordelijk zijn voor professionele begeleiding bij de beoordeling van de financieringsvraag, documentatie van transacties en desgewenst het beheer van de financiering.
Heeft u investerings- of uitbreidingsplannen en heeft u financieringsbehoefte? Het kabinet zal de komende maanden samen met banken en beleggers de mogelijkheden voor fondsvorming verder uitwerken. Het kan lonen om deze plannen af te wachten.
Minister van Financiën Jan Kees de Jager heeft een nieuwe crisismaatregel geïntroduceerd. De Minister heeft besloten het spaarloon vrij te geven. De maatregel moet een potentiële bestedingsimpuls geven van ruim 4 miljard euro.
Op 15 september 2010 kunt u uw spaarloontegoeden verwachten die u in de periode van 2006 tot en met 2009 heeft opgebouwd. U hoeft zelf geen actie te ondernemen. U krijgt vanzelf bericht over wat u moet doen om over het geld te kunnen beschikken. U kunt het geld opnemen zonder er belasting over te betalen.
Opname van het spaarloon is echter niet verplicht. Wij adviseren u dan ook alleen akkoord te gaan met het vrijgeven van uw spaarloon indien u van plan bent dit geld consumptief uit te geven. Als u namelijk het geld overhevelt van de spaarloonregeling naar een andere spaarrekening, valt het geld in Box 3 en zult u wel belasting moeten betalen. U kunt dan beter belastingvrij blijven sparen in de spaarloonregeling!
U kunt als DGA alleen aan de spaarloonregeling deelnemen indien u niet als enige werknemer in dienst bent van de BV.
De Eerste Kamer heeft ingestemd met een wetsvoorstel van Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Piet Hein Donner (CDA). In dit wetsvoorstel is geregeld dat jongeren tot 27 jaar gedurende de crisis langer op een tijdelijk contract bij een bedrijf mogen werken.
In het kader van bestrijding van de jeugdwerkloosheid kunt u jongeren die bij u in dienst zijn, in deze onzekere tijden, langer vasthouden zonder een vast dienstverband aan te bieden. Momenteel ontstaat na drie jaar van opeenvolgende tijdelijke contracten of bij het vierde contract een vast dienstverband. Met de bovengenoemde crisismaatregel krijgt u meer ruimte en heeft u pas na vier jaar of bij een vijfde contract te maken met een vast dienstverband.
De maatregel is op 9 juli 2010 ingegaan en geldt in principe tot 1 januari 2012. Houdt de crisis daarna nog aan, dan kan de regeling worden verlengd tot uiterlijk 1 januari 2014.
Wanneer uw werknemer 27 jaar wordt, houdt de werking van de nieuwe regeling direct op en valt uw werknemer onder de oude regeling.
Minister De Jager van Financiën heeft in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst het boetebeleid met betrekking tot het privégebruik auto van de zaak verduidelijkt.
Als blijkt dat u de bijtelling voor het privégebruik van uw auto van de zaak (deels) ten onrechte niet heeft aangegeven, dan legt de inspecteur een verzuimboete op van 80% van het wettelijk maximum van € 4.920.
De inspecteur kan ook besluiten om een vergrijpboete op te leggen. Een vergrijpboete kan alleen worden opgelegd als sprake is van grove schuld of opzet. Hiervan kan sprake zijn bij het ontduiken van grote bedragen door bijvoorbeeld het vervalsen van een rittenadministratie. De inspecteur dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. De vergrijpboete bedraagt 40% in geval van grove schuld en 80% in geval van opzet. De inspecteur maakt hierop een uitzondering als u een onjuiste of onvolledige rittenregistratie heeft overlegd. Dan heeft de inspecteur zelfs de mogelijkheid om een vergrijpboete op te leggen van 100%!
Het gewijzigde boetebeleid is in werking getreden op 1 juli 2010.
De Belastingdienst heeft een telefonische controledesk geopend waar VAR-verklaringen op echtheid kunnen worden gecontroleerd.
U kunt de echtheid van een VAR-verklaring voortaan telefonisch controleren bij de Belastingdienst. Op basis van de bij de Belastingdienst bekende gegevens wordt gecontroleerd of de combinatie BSN-VAR klopt. Als de combinatie niet klopt, vindt nader onderzoek plaats. Voor het controleren van een VAR-verklaring kunt u terecht bij het Landelijk Coördinatiepunt VAR van de Belastingdienst (tel: 088-1511000). Als u wilt, krijgt u de uitslag schriftelijk bevestigd.
Het is voor u als opdrachtgever een mooi gegeven dat een VAR-verklaring telefonisch te controleren is bij de Belastingdienst, maar in beginsel zou u op grond van de wet moeten kunnen vertrouwen op een getoonde VAR-verklaring. Dit is ook het standpunt dat het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) inneemt. PZO geeft aan dat als een zzp'er met zo'n VAR geknoeid heeft, de Belastingdienst de aangewezen instantie is om bij de zzp'er verhaal te komen halen. Alleen wanneer het de opdrachtgever redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de getoonde verklaring nooit een door de Belastingdienst afgegeven VAR kon zijn, mag een opdrachtgever de getoonde verklaring niet accepteren. Gevreesd wordt dat een telefonische controledesk alleen tot onnodige rompslomp en onzekerheid zal leiden.
Aangezien nu de mogelijkheid bestaat om VAR-verklaringen telefonisch te controleren, dient u hier toch rekening mee te houden in uw administratie. Bij een controle achteraf kan u dan in ieder geval niets verweten worden!
In deze tip behandelen wij enkele fiscale wijzigingen die ingaan per 1 juli 2010.
Aangepaste BTW-vrijstelling beroepsonderwijs
Op 1 juli 2010 wijzigt de vrijstelling voor beroepsonderwijs voor het niet-wettelijk erkende beroepsonderwijs. De vrijstelling zal alleen nog gelden voor:
Let op! Voor contracten die u vóór 1 juli 2010 heeft afgesloten zal de bestaande regelgeving voor beroepsopleidingen tot uiterlijk 1 januari 2011 blijven gelden.
Einde BTW-vrijstelling (para) medische diensten
U kon als beoefenaar van een aangewezen (para) medisch beroep de BTW-vrijstelling voor (para)medische diensten tot 1 juli 2010 claimen. Deze termijn is verlengd tot 1 januari 2011.
In 2009 werd een crisismaatregel ingevoerd die het mogelijk maakte dat een ondernemingsverlies uit het jaar 2008 voorlopig kon worden verrekend met de ondernemingswinst uit 2007. Dit zou de liquiditeitspositie van uw bedrijf ten gunste moeten komen. Hiervoor is het niet noodzakelijk dat u de aangifte 2008 al heeft ingediend. Een inschatting van het verlies op basis van bijvoorbeeld conceptcijfers 2008 werd ook voldoende geacht. Deze versoepeling eindigt op 1 juli 2010.
Mocht uw bedrijf niet in staat zijn een belastingschuld te betalen, dan is het van groot belang dat de bestuurder deze betalingsonmacht tijdig bij de Belastingdienst meldt. Op 4 juli 2010 treedt een wetswijziging in werking waardoor een bestuurder de betalingsonmacht uitsluitend schriftelijk kan melden bij de ontvanger van de Belastingdienst. De melding moet dan op papier of digitaal via een webformulier gedaan worden. Aangezien de automatisering van de Belastingdienst op 1 juli nog niet zo ver is zal deze wijziging pas op 4 juli in werking treden.
Indien de bovenstaande wijzigingen op u van toepassing zijn, dient u tijdig rekening te houden met de wijzigingen. Neem gerust contact met ons op om na te gaan of u wel of niet actie moet ondernemen!
De ministerraad heeft op voorstel van minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingestemd met een vergoeding voor werkgevers- en werknemersorganisaties indien zij werknemers, die met ontslag worden bedreigd, effectief kunnen begeleiden van werk naar werk.
Indien u ervoor zorgt dat uw werknemer die u wilt ontslaan bij een andere werkgever terecht kan of voor zich zelf kan beginnen, krijgt u hiervoor bij wijze van proef een financiële bijdrage van € 2.500 per werknemer. De regeling moet vooral mensen helpen die niet snel zelf ander werk vinden en daardoor het risico lopen langdurig werkloos te worden. Dit experiment maakt deel uit van de crisismaatregelen voor de arbeidsmarkt. Het kabinet stelt hiervoor 2 miljoen euro beschikbaar. Bedrijven moeten zelf ook minimaal de helft van de kosten voor hun rekening nemen.
De uitwerking van deze regeling is opgenomen in een Algemene Maatregel van Bestuur die naar verwachting vlak na de zomer van kracht wordt.
Onderstaand treft u een link aan naar de tijdelijke subsidieregeling omscholing werknemers bij dreigend ontslag van het Ministerie van SZW. U vindt hier alle informatie.
http://wetten.overheid.nl/BWBR0025991/geldigheidsdatum_30-01-2010
Vanwege groot succes heeft de ministerraad op voorstel van minister De Jager besloten dat de mogelijkheid voor ondernemers om eens per kwartaal BTW-aangifte te doen, in plaats van maandelijks, met een jaar verlengd wordt.
In 2009 is als crisismaatregel ingevoerd dat ondernemers kunnen kiezen tussen een BTW-aangifte per kwartaal of per maand. Deze verruimde mogelijkheid werd in beginsel ingevoerd voor een jaar. Eind 2010 zou deze tijdelijke crisismaatregel vervallen. Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt echter dat het aantal ondernemers dat de BTW-afdracht per kwartaal wil regelen, groeit. Zo maakten de afgelopen anderhalf jaar ruim 100.000 ondernemers gebruik van de mogelijkheid om per kwartaal aangifte te doen. Daarom is besloten dat u ook in 2011 kunt kiezen of u uw BTW-aangifte per kwartaal of per maand wilt doen.
Indien u ervoor kiest om de aangifte BTW per kwartaal te doen, dan betaalt u de BTW die u over de eerste en tweede maand van een kwartaal verschuldigd bent pas met de verschuldigde BTW over de derde maand waardoor u uitstel van betaling realiseert. De kwartaalaangifte zorgt er ook voor dat u gedurende het kwartaal meer geld in kas heeft en u iedere maand minder tijd kwijt bent aan uw administratie.
Het maakt voor de BTW-afdracht niet uit of u per maand of per kwartaal aangifte doet. U betaalt evenveel BTW.
Indien u goederen voor uw onderneming inkoopt van leveranciers in het buitenland heeft dat gevolgen voor de btw. Welke gevolgen dat zijn, hangt af van het land waar de goederen worden ingekocht. Voert u goederen in van buiten de Europese Unie? Dan komt u mogelijk in aanmerking voor de artikel-23 vergunning, waarmee u de afdracht van btw kunt verleggen!
In beginsel geldt dat als u goederen invoert uit landen buiten de Europese Unie, u btw moet afdragen bij de douane op de aangifte ten invoer. Echter, als u geregeld goederen invoert, kunt u voor de btw gebruikmaken van de zogenoemde verleggingsregeling bij invoer. Hiermee betaalt u de btw niet bij de douane op het moment van de invoer, maar verlegt u de betaling naar de periodieke btw-aangifte. Als u daar recht op heeft, kunt u de btw op diezelfde aangifte weer als voorbelasting aftrekken.
Voor sommige goederen is de verlegging verplicht, in andere gevallen moet u in het bezit zijn van een invoervergunning; de zogenaamde artikel 23-vergunning. Voor het verkrijgen van deze vergunning moet u voldoen aan drie voorwaarden:
Als u een artikel 23-vergunning krijgt om de verleggingsregeling bij invoer toe te passen, dan ontvangt u een codenummer (uw btw-identificatienummer) van de Belastingdienst. U dient dit nummer op alle invoerpapieren te vermelden. Wij adviseren u contact met ons op te nemen om een eventuele aanvraag van deze artikel 23-vergunning in gang te zetten.
Ook als u in het bezit bent van een artikel 23-vergunning moet u nog wel aangifte ten invoer doen. Hierop vermeldt u het bovengenoemde codenummer. U moet ook kunnen aantonen voor wie de goederen zijn bestemd, bijvoorbeeld door middel van een kopiefactuur, of een kopie van de vracht- en ladingspapieren.
De Minister van Financiën heeft antwoorden gegeven op een aantal kamervragen over de controle van een VAR-aanvraag. Hieruit blijkt dat er geen controle wordt toegepast op de feiten en omstandigheden uit de aanvraag. Als echter achteraf bij een reguliere loonbelastingcontrole blijkt dat deze gegevens niet kloppen dan wordt de VAR-verklaring ongeldig verklaard. U kunt dus met de afgifte van een VAR-verklaring niet vertrouwen op de geldigheid ervan. U draagt hiervoor zelf de verantwoordelijkheid.
Mocht u in de drie voorafgaande jaren voor steeds dezelfde werkzaamheden onder overeenkomstige condities eenzelfde VAR-verklaring hebben ontvangen, dan gaat de Belastingdienst er bij de automatische verlenging vanuit dat de opgegeven feiten en omstandigheden uit de eerdere VAR-aanvragen ongewijzigd voortduren in het komende kalenderjaar. U krijgt dan ook automatisch een nieuwe VAR-verklaring. Mocht ook hier achteraf bij een eventuele controle blijken dat de door u gepresenteerde voorstelling van zaken niet overeenkomt met de feitelijke omstandigheden dan heeft het gevolgen voor de geldigheid van uw VAR-verklaring.
Een bijkomend gevolg van een VAR-verklaring waarbij bewust onjuiste gegevens zijn verstrekt, is de toepassing van de inleners- en ketenaansprakelijkheid. Een opdrachtgever die namelijk een opdracht verstrekt aan een opdrachtnemer die ten onrechte over een VAR-verklaring beschikt kan geconfronteerd worden met de inleners– en ketenaansprakelijkheid. De Minister van Financiën vindt dat de opdrachtgever te goeder trouw hier niet de dupe van mag worden. De regels worden dus zodanig aangepast dat opdrachtgevers die te goeder trouw zijn afgegaan op onjuiste VAR-verklaringen niet aansprakelijk zullen worden gesteld op grond van de inleners- of ketenaansprakelijkheid.
Geef wijzigingen tijdig door! Van een wijziging van omstandigheden is sprake zodra de feitelijke of te verwachten omstandigheden sterk en structureel afwijken van de door u gepresenteerde omstandigheden.
Per 1 mei 2010 is de afschrijvingsmethode op basis van de werkelijke waarde voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) gewijzigd.
De afschrijving voor de BPM op basis van de werkelijke waarde wordt per 1 mei 2010 bepaald op het procentuele verschil tussen:
Indien de inkoopwaarde in nieuwstaat niet bekend is kunt u op basis van uw eigen berekening toch nog de inkoopwaarde nieuwstaat aangeven. U moet wel altijd uw eigen berekening kunnen motiveren. Daarom raden wij u aan gebruik te maken van de volgende bij de Belastingdienst bekende formule om de inkoopwaarde in nieuwstaat te berekenen: Inkoopwaarde in nieuwstaat = (consumentenprijs minus € 500) x 0.88%.
Voor verdere uitleg hierover verzoeken wij u contact met ons op te nemen.
De Belastingdienst heeft per 1 mei nieuwe aangifteformulieren BPM beschikbaar gesteld. Maak dus geen gebruik meer van de oude formulieren want deze hebben hun geldigheid verloren!
Per 1 januari 2011 zullen in het kader van de lastenverlichting de meeste bestaande regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen worden vervangen door één nieuwe regeling: de werkkostenregeling.
De werkkostenregeling maakt het per 1 januari 2011 mogelijk om maximaal 1,4% van de totale fiscale loon (de 'vrije ruimte') te besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor uw werknemers. U betaalt wel loonbelasting over het bedrag boven de vrije ruimte in de vorm van een eindheffing van 80%. Bepaalde vergoedingen en verstrekkingen blijven nog steeds onbelast door gebruik te maken van de gerichte vrijstellingen.
De werkkostenregeling gaat in per 1 januari 2011 maar u bent nog niet verplicht gebruik te maken van deze regeling. Voor de jaren 2011, 2012 en 2013 mag u ervoor kiezen om de bestaande regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen te blijven gebruiken. U hoeft uw keuze niet kenbaar te maken bij de Belastingdienst. Uw keuze blijkt uit uw administratie. Pas in 2014 bent u verplicht gebruik te maken van de werkkostenregeling.
Er kleven uiteraard voordelen aan de werkkostenregeling. U hoeft bijvoorbeeld geen rekening meer te houden met de voorwaarden en beperkingen van de bestaande regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Ook een voordeel is het feit dat u loon in natura tegen de factuurwaarde waardeert met als gevolg dat de factuur alleen in uw financiële administratie geboekt hoeft te worden en niet ook in uw loonadministratie. Maar er zijn ook zeker nadelen: zo is het maar de vraag of de werkkostenregeling in uw situatie financieel voordeliger is!
De uitwerking van de werkkostenregeling zal voor iedere onderneming anders uitpakken. Of de werkkostenregeling in uw situatie voordelig uit zal pakken zal dus nader moeten worden bekeken.
Aangezien u nu al moet nadenken over uw arbeidsvoorwaardenbeleid en wellicht ook uw werknemers moet informeren over een nieuw beloningsbeleid raden wij u aan contact met ons op te nemen. Wij kunnen dan berekenen of u gebruik moet maken van de werkkostenregeling of dat u de oude methode nog moet handhaven!
Een werkgever staat voor wat betreft de vergoeding van vervoer van zijn werknemers voor de keuze om een auto ter beschikking te stellen of een kilometervergoeding te verstrekken. Hieronder worden de fiscale gevolgen van het ter beschikking stellen van een auto dan wel het vergoeden van de kilometers uiteengezet.
Indien u een auto ter beschikking stelt aan uw werknemer wordt deze geconfronteerd met een fiscale bijtelling. De bijtelling van de auto van de zaak valt onder de loonbelasting, dus maandelijks dient u de te betalen bijtelling in te houden op het loon van uw werknemer. De bijtelling kan alleen achterwege blijven indien uw werknemer kan aantonen dat deze minder dan 500 privé-kilometers per jaar rijdt, bijvoorbeeld door een sluitende kilometeradministratie of door een 'Verklaring geen privé-gebruik auto'.
Wist u dat indien uw werknemer in zijn eigen auto rijdt, maar u wel alle kosten van die auto vergoedt, de auto toch wordt aangemerkt als een auto van de zaak?
U mag uw werknemer een kilometervergoeding geven indien deze met eigen vervoer zakelijke ritten rijdt of met de auto naar het werk komt. De grens voor een onbelaste kilometervergoeding ligt op € 0,19 per kilometer. U mag uw werknemer een hoger bedrag vergoeden maar dan wordt het deel van de vergoeding boven dit bedrag als loon gerekend. Over dat loondeel moeten loonheffing en premies werknemersverzekeringen worden betaald.
Als uw werknemer meerdere malen per dag reist, kunt u niet in alle gevallen een vrije vergoeding geven van € 0,19 per kilometer. Er moet een zakelijk belang zijn. Ritten om bijvoorbeeld thuis te lunchen of de kinderen naar de opvang te brengen komen niet voor de kilometervergoeding in aanmerking. Omrijkilometers die met carpoolen worden gemaakt om een collega op te halen, tellen daarentegen wél als zakelijke kilometers.
U kunt gerust contact met ons opnemen voor een berekening van de autokosten voor de keuze tussen het aanbieden van een auto van de zaak of een kilometervergoeding.